" E r f e n i s   v / h   m o e d e r l a n d s c h a p "  (2001-2002),  ©  F i l i p   N a u d t s

 

 

 

view moving pictures >

 

 

 

Stefan Beyst over Erfenis van het moederlandschap:

Mediavrouwen als alter ego’s, van imago tot oerbeeld

1.‘Erfenis van het moederlandschap’ speelt zich af in het park van Beervelde, zowat de enige ongeschonden natuur die nog in Naudts' geboorteplaats Lochristi is te vinden. Het park is de plaats waar de mens zich sedert de industrialisering een toevluchtsoord schiep, waarin hij kon ontsnappen aan het vervreemdende gebeuren in de steeds omvangrijker wordende metropolen en industriesteden. Hoe langer hoe meer hebben exotische bestemmingen deze functie overgenomen. In onze steeds driftiger verkavelde en steeds dichter volgebouwde kontrijen overleven de parken als late getuigen van het verlangen om te worden gekoesterd in de schoot van een bergende natuur. Het zijn misleidende getuigen: echte natuur is wellicht nog minder herbergzaam dan het kunstmatige urbane milieu waarin we onszelf hebben opgesloten precies om aan de onherbergzame natuur te ontsnappen. En omdat het in dat kunstmatige milieu evenmin goed leven is, dromen we ons het betere leven in de verdreven natuur. We proberen haar tot nieuw leven te brengen in een reservaat, uitgespaard in onze kunstmatige wereld. Het park wordt daardoor tot het symbool van een verloren gewaande harmonie, een utopische natuur als bergende en voedende moeder.

2. Zo vergaat het ook de vrouwen die zich in dit decor thuis voelen als kinderen in de moederschoot. Evenals het park lijken ze wel de natuur zelve. Ware het niet dat ze getooid zijn met verfijnde gewaden, die ze van ergens uit de wereld daarbuiten hebben meegebracht. Ze zijn die wereld ontvlucht in het park om er een te worden met de natuur. Jessy de Smet drijft in het water als een kind in de baarmoeder, Ayco Duyster wijdt zich als een heidense godin aan het maanlicht, Bloem de Ligny heeft zich onder het weidse hemelgewelf op de aardbodem te rusten gelegd, Elke van Elderen ligt in een bootje, waarop ze indommelend zal wegdrijven in het duister van het gebladerte, stroomopwaarts naar een verscholen bron toe, en Pascale Bal lijkt wel opgegaan in de woekering van de klimplanten om een oude boom, aan de voet waarvan ze haar kleren heeft achtergelaten. Duisterder tonen weerklinken bij Antje de Boeck en Lula Pena: in zwarte gewaden gehuld, lijken ze te verdrinken in een verdriet om wat ze verloren door niet op te gaan in de bodem waarin ze nu node willen verzinken. Op een luchtiger manier is de verbondenheid weergegeven bij Jits van Belle die ongedwongen haar water aan de bladeren toevertrouwt. En als een gevallen engel verdwaald in het park lijkt Josée Verbeke, zo blootsvoets in haar négligé, vruchteloos op zoek naar wat haar voor altijd lijkt ontglipt.

3. De reeks ‘Erfenis van het moeder-
landschap’ lijkt op het eerste gezicht uitsluitend aan de vrouw gewijd. Maar de man is niet afwezig. Op ‘Zelfportret met Bloem de Ligny’ verschijnt hij als fotograaf op de achtergrond. Vanuit de bosjes kijkt hij - wat verweesd - toe op het gebeuren in het centrum. In ‘Sabine De Vos’ staat hij zelfs midden in het beeld. Maar de uitgestrekte armen waarop hij de omarming onthaalt, zijn tevens het gebaar waarmee hij de ontspanner bedient. De ontspanner verwijst ons naar de plaats waarheen de fotograaf in werkelijkheid wordt verwezen: terwijl de vrouwen zich terugtrekken in de natuur, trekt hij zich uit het beeld terug. Hij is slechts toeschouwend oog voor hetwelk de vrouwen zich opvoeren. Maar de kunstenaar laat zich niet uit het beeld verdrijven. In ‘Zelfportret met Bloem de Ligny’ heeft hij zes beelden uit een telkens andere hoek tot één omvattend panorama van ruim 360 graden aaneengeschakeld. Zo om zich heen draaiend heeft de kunstenaar zich vanuit zijn perifere positie onverhoeds in het eigenlijke centrum van het gebeuren gemanoeuvreerd: niet Bloem de Ligny, maar hij bevindt zich in het centrum, zij het dan niet als lichaam, maar als onzichtbaar oog dat alles zou willen overschouwen.

4. Des te meer moet het dan opvallen hoezeer alle vrouwen hun opgang in de natuur bezegelen door het sluiten van de ogen. De fotograaf kijkt, maar wordt zelf niet bekeken. De blik die de vrouwen hem niet lijken te gunnen, keren ze naar binnen, naar een wereld die ze in zich zouden willen zien opgaan. Het oog dat kijkt naar een lichaam dat het oog naar binnen heeft gekeerd: nooit zullen deze blikken elkaar treffen. En dat werpt een nieuw licht op het gebaar waarmee de fotograaf in het beeld de camera buiten het beeld met de ontspanner bedient. Het is tevens het afwerende uitstrekken van de armen, een gebaar dat de man de allures verleent van een gekruisigde Christus en de vrouw die van een Maria Magdalena, de gevallen vrouw die de voeten van de gekruisigde omarmt. Ze is daardoor als het ware de prefiguur van Lula Pena en Antje de Boeck, zelf weer een dubbele prelude op de zwarte ‘Vrouw der smarten’: Maria, die haar zoon aan het kruis van de wereld verloor.

5. Onverhoeds zijn we in een wereld terecht gekomen die niet langer iets gemeen lijkt te hebben met die waarin de bekende vrouwen op de foto’s hun namen dragen. Zoals het park zich verhoudt tot de verkavelde wereld, zo verhouden de oerbeelden zich tot het imago dat deze vrouwen is aangemeten in de wereld waarin ze opgeld maken. Als geen ander weet de camera van Naudts het wonder te bewerken waardoor deze vrouwen de metamorfose van imago tot oerbeeld aan zichzelf voltrekken.

6. De veelheid van deze oerbeelden doet vermoeden dat we nog niet in het eigenlijke centrum zijn aanbeland. Naudts’ vrouwen lijken wel orakels die in zichzelf de bron willen beluisteren waaruit ze voortvloeiden. Als waren ze slechts dochters van een oermoeder tot wie ze de toegang hebben verloren. De beelden uit deze reeks zijn als evenveel zonnen die cirkelen rond een nachtelijke aarde, in het duister waarvan zich, onttrokken aan ieders blik, het oergebeuren voltrekt. Wat niet belet dat ze in afwachting al deelhebben aan de magie van wat niet kan worden geopenbaard of zich koesteren in de rouw om wat ze elders zochten en in zich niet dreigen te vinden. Wie weet, aanschouwen ze in zich al de zoon die ze ooit aan de wereld zullen verliezen. Is het hier, in dit onzichtbare innerlijk verborgen in het beeld - het echte moederlandschap - dat de fotograaf de blik hoopt te ontmoeten van de moeder die hem baarde?

7. Slechts op het eerste gezicht dus - bij een oppervlakkige benadering - bewandelen we hier begane paden. Al de titel geeft aan dat Naudts een andere verhouding tot het verleden inneemt : het is als de bron waarin men terechtkomt als men zich stroomopwaarts laat glijden. Bij Naudts geen steeds meer verkrampte zoektocht naar een steeds meer ongewone benadering van steeds meer vervreemde verschijningswijzen van de vrouw. Nader ligt hem het allen vanouds vertrouwde dat we allen al altijd in ons droegen.

8. Om dergelijke in het innerlijke gekoesterde beelden in beeld te brengen, dringen zich als vanzelf de gevoelige schakeringen van een geheimzinnig chiaroscuro op. Ongetwijfeld doet het denken aan het licht van de pictoralisten - mij herinnerde het in het bijzonder aan het werk van Gertrude Käsebier (USA, 1852-1934). Maar evengoed komt ons het beeld voor ogen van het schemerduister in de ingang van de grot waarin da Vinci, de grondlegger van deze traditie, Maria met haar moeder en haar zoon situeert. Dit licht is niet het privilege van een strekking in de fotografie, laat staan het waarmerk van een achterhaald gewaande schilderkunst. Het hoort onverbrekelijk bij het oproepen van een wereld die het verblindende daglicht niet verdraagt, laat staan het licht van schijnwerpers. Naudts’ in zichzelf gekeerde vrouwen hullen zich in het schemerduister van het park waarin iets overleeft van de intimiteit van het gedempte licht in een interieur. Maar hoe meer we ons laten fascineren door dit licht, hoe meer het tot ons doordringt dat dit niet het licht is van de zon dat wordt get empe rd door het gebladerte van de bomen of de schemerzones tussen dag en nacht. Het is een onwerelds licht, een soort uit zichzelf lichtende ether die de vrouwen omhult en zelf de stof lijkt te zijn waaruit ze zijn gemaakt. In ‘Antje de Boeck’ lijkt de lichtende ether zelfs zwart te zijn en het wit uit het beeld te verdrijven. Zag men zwart ooit stralender lichten? Dat is het niveau waarop Naudts het chiaroscuro weet te tillen dank zij de mogelijkheden van de digitale beeldbewerking!

9. In die zin is de ‘Erfenis van het moederlandschap’ niet alleen de plaats waar de geslachten zich uiteindelijk toch vinden, maar evenzeer de zonen onverhoeds hun voorvaderen.

Een achterwaarts gekeerde blik stuit wel vaker op wat zich in het heden aan het zicht onttrekt.

  

---

Daan Rau over Erfenis van het moederlandschap

Filip Naudts en het zwarte licht

Een onopvallend huis met een reeks foto's voor het raam zodat het binnenshuis verduisterd is.
Een voorkamer volgestouwd met materiaal, een computer, papieren en foto's natuurlijk. Daarachter de opnamestudio, eenvoudig en wat benepen, de tweede kamer van wat in Vlaanderen zo gratieus een 'salon suite' wordt genoemd. Het is niet indrukwekkend, niet artistiek, niet hip, het is een werkplaats. Sommige van de foto's die her en der aan de muur geprikt zijn, komen me bekend voor. Ik heb ze reeds ergens gezien, ze zijn niet van een 'gewone' fotograaf.
Filip Naudts (°1968) is niet een van die kunstenaars die aan een academie zijn opgeleid. Hij leerde het vak onder leercontract, met zijn voeten ten volle in de praktijk, bii reclamefotograaf Benny De Grove in Merelbeke.Via de middenstandsopleiding verwierf hij zijn vestigingsattest. Je zou verwachten dat hij van hieruit zou starten met een eerbare fotozaak en braaf huwelijksreportages zou maken. Niets daarvan bij Naudts. Als eindwerk voor zijn opleiding maakte hij een reeks portretten van artiesten: muzikanten en kunstenaars. Bea Van der Maat was daar een van en ze was blijkbaar tevreden over het resultaat. Er volgde immers meer.
Tot nu is Naudts naast fotograaf ook documentalist in het Provinciaal Museum voor Fotografie te Antwerpen. Duizenden foto's worden door hem bekeken, bewaard en gekoesterd. Hij geniet van die bij velen onbekende schat, maar ziet node hoe weinig geld er is voor de goede conservering van zoveel historisch en kunsthistorisch belangwekkend materiaal. Het wordt er overigens niet beter op, de provincie moet bezuinigen, hijzelf verlaat zijn job en wordt wellicht niet vervangen.Naudts schrijft voor het tijdschrift 'Foto'. En heel af en toe geeft hij een boek uit of zou toch willen dat het gebeurde.
Hij fotografeert vrouwen (hij noemt ze een beetje lacherig en ernstig tegelijk 'madammen'), dat was zo in de reeks 'Auromatic' en dat is eveneens zo in de reeks die hij nu gaat tonen. 'Erfenis van het moederlandschap' heeft hij de reeks genoemd. Ik heb hem niet naar de betekenis van deze titel gevraagd, hij is een beetje enigmatisch. Je hebt het gevoel hem te begrijpen, te vatten en toch , bij nader inzien - ontglipt hij je. Misschien moeten we de foto's maar eerst eens bekijken.
Het gaat om een reeks van tien foto's: tien vrouwen in een landschap.De vrouwen zijn min of meer bekende vrouwen, ze komen in de media. De foto's zijn honderd ten honderd geregisseerd door de fotograaf. "Dat ging soms zeer moeilijk", bekent hij. De vrouwen zijn soms onherkenbaar, zelfs zijzelf herkennen zich soms niet. Bij de opname is er een soort van transformatieproces aan de gang en voor de fotograaf is dat beter te meten wanneer hij werkt met bekende gezichten.
Alle foto's zijn opgenomen in het park van het Kasteel van Beervelde,het kasteel waar in de kelders Raveel, Lucassen, Elias en De Keyser zich mochten uitleven in de tijd van de vader van de huidige graaf de Kerckhove de Denterghem. Het park is een schitterend stuk natuurgebied in het fel geürbaniseerde en vooral voor en door tuinbouw verhakkelde land rond Lochristi waar Filip Naudts woont. Het is een park met eeuwenoude bomen, duistere groenpartijen en niet te vergeten een ruime vijver. Voor de fotograaf speelt dit park duidelijk de rol van ongerepte natuur, de natuur die haar gang gaat zonder bedreigend te zijn, die geborgenheid en bescherming biedt en die het leven laat openbloeien. Een park als een moederschoot. Het is niet het echte paradijs, het is er een lichtdrukmaal van, een schijnsel op de wand van de grot, het is een erfenis van het moederlandschap dat er eens was.
De vrouwen worden in dit park geplaatst. De fotograaf beweegt hen zodanig dat ze er zich thuis voelen, ze vinden er hun plek of ze zoeken ernaar. En dan komen daaruit die schitterende foto's.
Het zijn beelden die je pakken. De referenties naar de kunstgeschiedenis zijn legio, ik weet niet eens of het de bedoeling was van de fotograaf, ik stel gewoon vast. Is het beeld van de fadozangeres Lula Pena niet dat van een Moeder van Smarten? Kunnen we anders dan aan Rembrandt denken bij het zien van de plassende Jits Van Belle? En is de foto van Sabine De Vos die de mannelijke figuur omarmt, geen perfecte weergave van een verstild prerafaëlitisch schilderij?
De mannelijke figuur waarvan sprake is de fotograaf zelf, hier staat hij als een vogelverschrikker, de armen gespreid, zoals het zwarte beeld van Thierry de Cordier dat zich in het SMAK bevindt. Of het is een Christus beweend door Maria Magdalena. De fotograaf is nog in een foto aanwezig met name in 'Zelfportret met Bloem de Ligny'. Hij heeft zes beelden, uit telkens een andere hoek genomen, gecomponeerd tot een panorama van 360°, niet Bloem de Ligny is het centrum van de foto maar het alziend oog van de kunstenaar. Alle foto's zijn analoog gemaakt maar digitaal afgewerkt. De beelden beroeren mij als leek in de fotografie. Ik wordt aangesproken door hun beeldwaarde, door hun referentie naar beelden uit het verleden en hun kracht die ze nú hebben voor mij. Maar evenzeer treft mij de kwaliteit van de grijswaarden, of zou ik hier beter zeggen de zwartwaarden. Stefan Beyst verwoordt het in zijn tekst over deze reeks erg sprekend: "Naudts' in zichzelf gekeerde vrouwen hullen zich in het schemerduister van het park waarin iets overleeft van de intimiteit van het gedempte licht in een interieur. Maar hoe meer we ons laten fascineren door dit licht, hoe meer het tot ons doordringt dat dit niet het licht is van de zon dat wordt get empe rd door het gebladerte van de bomen of de schemerzones tussen dag of nacht. Het is een onwerelds licht, een soort uit zichzelf lichtende ether die de vrouwen omhult en zelf de stof lijkt te zijn waaruit ze zijn gemaakt. In 'Antje De Boeck' lijkt de lichtende ether zelfs zwart te zijn en het wit uit het beeld te verdrijven. Zag men zwart ooit stralender lichten?".
Filip Naudts ziet zijn werk niet als hedendaagse fotografie. "Het is gewoon mijn ding", zegt hij, "de wijze van een beeld maken is totaal anders dan de hedendaagse fotografie voorschrijft." Ik vind die bewering niet echt relevant, ze doet niets af van de waarde van het werk en vermindert in generlei mate het genot dat ik eraan beleef. Trouwens ik ben niet erg voor voorschriften in de kunst.